12.04.2022 · Short read

Kadaster rechthebbende op aandeel in saldo kwaliteitsrekening notaris?

In een procedure is door het Hof Arnhem-Leeuwarden de prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad of het Kadaster rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening vanwege de aan de notaris in rekening gebrachte inschrijvingskosten en recherchekosten.

De procedure

Anotaris is op 5 juli 2016 in staat van faillissement verklaard. Het Kadaster heeft in de periode van 29 maart 2016 tot en met 26 september 2016 een bedrag van ongeveer EUR 140.000,– gefactureerd wegens kadasterkosten. Het betreffende notariskantoor heeft vanaf 29 maart 2016 de facturen van het Kadaster niet meer betaald. Deze facturen hadden betrekking op inschrijvingskosten en recherchekosten. Inschrijvingskosten zijn de verschuldigde kadastrale rechten in verband met de inschrijving van een akte in de openbare registers. Recherchekosten zijn de kosten die door het Kadaster worden berekend voor inzagen in het Kadaster, zoals bijvoorbeeld het opvragen van eigendoms- en hypotheekinformatie en verkrijgingstitels (recherchekosten). Deze kosten worden bij iedere overdracht van vastgoed gemaakt en zijn in die zin ook onvermijdelijk.

 

Aan de Hoge Raad is de prejudiciële vraag gesteld of het Kadaster rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening vanwege de aan de notaris in rekening gebrachte inschrijvingskosten en recherchekosten.

 

De Hoge Raad doet de prejudiciële vraag af in zeven relatief korte overwegingen. Kern van het betoog van de Hoge Raad is dat “Een en ander [..] in de kern in[houdt] dat rechthebbenden op het saldo van de notariële kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die kwaliteitsrekening zijn gestort,[vet Q.G.M] onder de voorwaarden die gelden in hun onderlinge verhoudingen.

 

De notaris houdt de gelden dus ten behoeve van degene van wie de bedragen zijn gestort. Wat ons betreft is dit volledig in lijn met de praktijk, de wijze waarop het notariaat omgaat met op de kwaliteitsrekening gestorte bedragen en vaste rechtspraak van de Hoge Raad.[1]

 

De vervolgvraag is dan of de gelden die op de nota van afrekening zijn ‘geoormerkt’ als ‘kadasterkosten’ hebben te gelden als ‘gelden overgemaakt ten behoeve van een derde’. Wat ons betreft staat dit ter vrije dispositie van partijen en zal het aldus bezien een kwestie van uitleg zijn. In het arrest van de Hoge Raad vinden wij in r.o 3.5 een rechtvaardiging voor deze aanname. De Hoge Raad stelt “Het vorenstaande betekent dat bij de overdracht van dan wel de vestiging van een beperkt recht op een registergoed, de verkrijger dan wel de vervreemder het geldbedrag dat in verband met deze overdracht of vestiging door betrokkenen aan het Kadaster is verschuldigd, kan bijschrijven [vet Q.G.M] of laten bijschrijven op de kwaliteitsrekening van de door betrokkenen ingeschakelde notaris. Het ten behoeve van het Kadaster op de notariële kwaliteitsrekening bij te schrijven geldbedrag kan zien op [vet Q.G.M] de kosten van de inschrijving van de in art. 3:89 lid 1 BW bedoelde notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers (de zogeheten inschrijvingskosten) en op de kosten van de recherche die de notaris in verband met de overdracht of de bezwaring van een registergoed in opdracht van betrokkenen pleegt te verrichten (de zogeheten recherchekosten).” De Hoge Raad heeft het in deze overweging nadrukkelijk over ‘kan bijschrijven’ en ‘ kan zien op’. Dit duidt ons inziens op een keuze van partijen.

De Hoge Raad volgt daarbij, naar onze mening terecht, niet het uitgebreide betoog van de A.G. die in zijn 23 pagina’s tellende conclusie uitgebreid stilstaat bij het karakter van de verschillende soorten kadasterkosten. De A.G. maakt een onderscheid tussen recherchekosten en inschrijvingskosten en geeft aan dat deze laatste dusdanig essentieel zijn voor de overdracht van het vastgoed dat de notaris (i) er voor moet zorgen dat de ten behoeve van de inschrijving van de akte verschuldigde leges bij de notaris op zijn rekening staan; en (ii) deze dan geacht worden ten behoeve van het Kadaster te zijn gestort; en (iii) het Kadaster daarmee rechthebbende op die bedragen is.

 

Zoals gezegd is er met dit arrest aan het betoog van de A.G. voorbij gegaan. Dit blijkt, naar onze mening, uit het feit dat de Hoge Raad in haar zeven overwegingen tellende arrest hier geen enkele aandacht aan besteedt en zelfs nadrukkelijk spreekt van ‘kan bijschrijven’ en ‘kan zien op’. Daarnaast vinden wij ook dat een lezing waarbij het kadaster per definitie geacht wordt een aanspraak op de derdengeldenrekening te hebben niet aansluit bij de notariële praktijk en tot een onwerkbare situatie zou leiden. Wanneer we naar de praktijk kijken zien wij dat de kadasterkosten waar het recherchekosten betreft vaak al ruim voordat gelden op de kwaliteitsrekening van de notaris worden gestort door de notaris zelf – als zijnde kantoorkosten – worden voldaan. Op het moment dat de gelden bij de notaris op de rekening worden gestort heeft het kadaster ten aanzien van die specifieke recherchekosten al helemaal geen vordering meer die voldaan moet worden. Daarnaast is het ook zo dat het kadaster aan het betreffende notariskantoor factureert door middel van een verzamelfactuur waarop alle kosten staan vermeld over een betreffende periode. De notaris betaalt deze kosten vanaf zijn kantoorrekening. Op de factuur van het Kadaster staan ook kosten voor recherches inzake advieswerkzaamheden, werkzaamheden waarvoor geen akte wordt gepasseerd of werkzaamheden waarvoor de akte nog niet is gepasseerd. Wanneer wij de lezing van de A.G. zouden volgen dan zou dit tot gevolg hebben dat deze kosten in kaart moeten worden gebracht en dat er een uitsplitsing moet plaatsvinden tussen kosten die betaald moeten worden vanaf de kantoorrekening en kosten die betaald moeten worden vanaf de kwaliteitsrekening? Dit lijkt ons voor zowel het Kadaster al de notaris onuitvoerbaar, onwenselijk en onwerkbaar.

 

Inmiddels zijn er ook vragen gesteld aan de KNB, dit arrest krijgt dus ongetwijfeld nog een vervolg.

[1]Zie in deze zin reeds HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371, m.nt. Snijders (mr. Koren q.q./mr. Tekstra q.q.), onder verwijzing naar de systematiek van art. 25 Wna of meer recent HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372, m.nt. Van Mierlo (Ontvanger/mr. Eijking q.q.) of HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1043.

More News & content

Contact

Quist Geuze Meijeren
Concertgebouwplein 29
1071 LM Amsterdam
The Netherlands

+31 20 765 2400


Google Maps
Share